Er is veel werk aan de winkel voor minister Peneux

Onderwijsminister Peneux heeft een aantal beleidsombuigingen aangekondigd om het Surinaams onderwijs naar grotere hoogten te brengen. Veelal liggen de aangekondigde aanpassingen op het organisatorische vlak. Onderwijs inhoudelijk zijn veel zaken niet in orde.

Zijn voorgangers hebben zich veelal beperkt tot het draaiende houden van het ministerie:

a. Scholen bemannen met leerlingen, leerkrachten, wachters en schoonmaaksters
b. Scholen voorzien van meubilair en leermiddelen
c. Nieuwe lokalen bouwen en oude lokalen renoveren.
d. Examens coordineren en laten afnemen

Enkele misstanden

Onderwijsinhoudelijk zijn de afgelopen decennia noodzakelijke innovaties niet doorgevoerd:

1. Er is nauwelijks nieuwe curricula ontwikkeld: het onderwijs is niet goed afgestemd op onze markt. Een buitenlandse methode is niet automatisch geschikt voor Suriname; de inrichting van onze maatschappij, de vraag naar bepaalde kader, de technologische ontwikkeling van ons land stellen bepaalde eisen aan onze afgestudeerden. De vorming van onze studenten moet ook een specifiek gedeelte bevatten, gericht op de Surinaamse vraag. Daarin voorziet een geïmporteerde methode niet zonder meer.

2. Er vindt weinig tot geen differentiatie plaats in ons basis en middelbaar onderwijs. Ons onderwijs is afgestemd op middelmatige leerlingen. Voor zwakke leerlingen is er geen onderwijs op maat. Voor hoogbegaafde leerlingen is er geen verrijkingsstof. De meeste schoolboeken komen uit Nederland. In Nederland is er voor differentiatie goed beleid ontwikkeld. Suriname loopt ver achter op dit gebied. Een Nederlandse methode in Suriname gebruiken zonder de randvoorwaarden biedt niet het gewenste resultaat.

3. Leraren worden nauwelijks bijgeschoold. Het beroep van de arts, de accountant, de technicus, de leerkracht staat niet stil; wie zich niet voortdurend bijschoolt, loopt gauw achter. Eenmaal een onderwijsbevoegdheid behaald, geeft een leerkracht voor altijd het recht les te geven. Maar de kwaliteit van veel leerkrachten, die zijn blijven steken in sterk verouderde onderwijsmethodieken en systemen, is in deze dynamische wereld erg laag. Geen haan die ernaar kraait.

4. Verouderde lerarenopleidingen. De lerarenopleidingen zijn niet afgestemd op alle werkzaamheden van de leerkracht in de klas. Studenten krijgen tijdens hun opleiding wel algemene didactiek, maar niet of nauwelijks vakdidactiek. Daardoor beheersen onervaren leraren de “ fysiologie en anatomie “ van het vak nauwelijks. Het opleidingsprofiel en het beroepsprofiel zijn niet goed op elkaar afgestemd. Het werk van de leerkracht omvat veel meer dan alleen lesgeven.

Aan het opstellen, nakijken en evalueren van repetities en toetsen wordt er geen/nauwelijks aandacht besteed. Een toets opstellen, cijfers geven en de gemaakte toets evalueren vereisen totaal andere kennis en vaardigheden. Schoolonderzoeken zowel op voj en vos niveau worden door onze meeste leraren opgesteld zonder een toetsmatrijs, hetgeen totaal onverantwoord is. Een goede toets kan men niet opstellen zonder een toetsmatrijs.

5. Begeleiding van onervaren leraren. Het lerarenkorps van de mulo en de middelbare scholen bestaat uit veel onervaren leraren. Onervaren leraren worden “losgelaten” in het onderwijsveld en aan hun lot overgelaten. Niemand bekommert zich over hun functioneren. Er is niemand die hen feedback geeft/begeleidt. Er wordt alleen op sectie- en intersectieniveau overleg gepleegd m.b.t. tot proefwerken, schoolonderzoeken en omvang van de leerstof.

Het risico bestaat dat een grote groep onervaren leraren niet kan uitgroeien tot bekwame schoolmeesters. Ze denken dat de manier waarop ze lesgeven, repetities opstellen en blaadjes corrigeren goed is en gaan op die weg door. Wat men in het eerste jaar heeft gedaan, wordt telkens herhaald.

Er worden nauwelijks nieuwe vakdidactische vaardigheden aangeleerd. De groep die klaagt over hun disfunctioneren zijn de studenten. Veel studenten raken gedemotiveerd en soms zelfs gefrustreerd. Een schooldirecteur vraagt soms voor een “ slechte leraar” overplaatsing naar een andere school. Daarmee wordt het probleem verplaatst naar de nieuwe school.

6. Implementatie van nieuwe methoden vinden plaats zonder applicatiecursus ( aanvullende cursus ) aan betrokken leraren te geven. In het nieuwe schooljaar zal er een nieuwe natuurkunde methode worden geïmplementeerd op de muloscholen. Deze methode vereist in veel opzichten andere vaardigheden en aanpak van de leraar. Een aanvullende cursus aan alle betrokken leraren is een onvermijdelijke eis.

Het Minowc heeft een kleine groep leraren een training laten volgen Nederland. Wat about de overige leraren? Bovendien wordt deze methode incompleet ( zonder practicum ) ingevoerd. Bij het vak natuurkunde moeten er proefjes worden gedaan voor een betere begripsvorming. Het nieuwe natuurkunde boek “ IMPACT” heeft een didactische werkvorm “leren en begrijpen door zien en doen”.

Er staan veel proefjes in het boek die de leerlingen zelf moeten doen ( leerlingpracticum ) en proefjes die de leraar moet voordoen ( demonstratiepracticum). Daar onze muloscholen niet beschikken over het benodgde practicummateriaal kunnen de proefjes niet worden gedaan, waardoor deze nieuwe methode haar doel voorbij schiet.

7. Accreditatie. Het is alom bekend dat veel van onze opleidingen niet voldoen aan internationale standaarden. Onze diploma’s worden in veel landen niet erkend. Een Surinaams masterdiploma economie bv wordt in Nederland gelijkgesteld aan HBO derde jaars!

Maar ook intern merken we dat veel van onze afgestudeerden niet beschikken over het gewenste niveau; op onze universiteit worden colleges aan masterstudies leraren wordt aan MO –B studenten colleges gegeven door docenten met een MO-B diploma. Welk niveau hebben de nieuwe masters en MO- B ers dan ? Op onze muloscholen is 45 % van de natuurkundeleraren onbevoegd. Op sommige scholen wordt het vak verzorgd door leraren met wiskunde, scheikunde of Nederlands bevoegdheid.

Aanbevelingen

Het slechte beleid dat jarenlang is gevoerd op het Minocw moet in versneld tempo worden omgebogen in gedegen beleid:

1. Het niveau van onze opleidingen moet, waar mogelijk, worden opgekrikt. Onze nieuwe minister hecht blijkbaar veel waarde aan diploma’s. Laat het diploma dan op niveau zijn. Een student MO-B student mag geen college krijgen van een docent met MO-B diploma; evenmin mag een student voor een masterstudie in de eindfase geen college krijgen van een docent met maximaal masteropleiding.

Voorts moet het nijpend tekort aan bevoegde natuurkundeleraren structureel worden aangepakt. De nieuwe start van de lo opleidingnatuurkunde is niet afdoende. Het Minowc moet extra prikkels geven aan studenten voor de studie natuurkundeleraar. Er is een klein overschot aan wis- en scheikunde leraren. Zij zouden gestimuleerd moeten ( bv een bonus bij behalen van het diploma ) worden voor deze studie.

2. Er moeten vakbegeleiders komen voor onervaren leraren op voj en vos niveau. Voor elk vak moet er tenminste een vakbegeleider zijn.

3. In het curriculum van het IOL ( leraren opleiding ) moeten worden opgenomen vakdidactiek en toetsconstructie ( opstellen, corrigeren en evalueren van toetsen). Naast gedegen theoretische kennis van een toets, moet de toekomstige leraar zelfstandig goede toetsen leren opstellen, ze corrigeren en evalueren.

4. Applicatiecursus geven aan leraren bij invoering van nieuwe methode. I.v.m. de invoering van het nieuwe natuurkundeboek aan betrokken leraren in oktober 2015 een spoedcursus geven.

5. Voor het vak natuurkunde op voj niveau op lange termijn het benodigde particummaterieel aanschaffen. Oplossing op korte termijn is “ simulatie” van de proefjes: de leerlingen kunnen dan op school tv de proefjes zien.

6. Om te voldoen aan de eisen van de tijd moeten alle leerkrachten periodiek worden bijgeschoold.

Ik spreek de hoop uit dat deze onderwijsbaas zijn bezem door al deze punten haalt.

Jack Mohanlal

[email protected]

Overige berichten