Drastische maatregelen bedrijfsleven om besmettingen op de werkvloer tegen te gaan

GFC NIEUWSREDACTIE- Het bedrijfsleven in Suriname wil een paar drastische maatregelen treffen om besmettingen op de werkvloer tegen te gaan/te minimaliseren.

Dat blijkt uit een ‘Position paper Vaccinatiebeleid’ van de Vereniging van Surinaams Bedrijfsleven.

Hieronder de maatregelen en motivatie zoals opgenomen in de ‘Position paper’:

Verplichte PCR-test voor niet-gevaccineerde werknemers

De werkgever kan haar werknemers en cliënten niet blootstellen aan mogelijke besmetting vanwege het besluit van dezelfde werknemers om zich niet te laten vaccineren, met alle negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering.

Voor de veiligheid van de niet gevaccineerde werknemers wordt van hen een negatieve PCR-test vereist. Hiermee tracht de werkgever te voldoen aan de in artikel 28 sub c GW opgenomen voorziening van het garanderen van gezonde arbeidsomstandigheden.

Bedrijven dienen er alles aan te doen om de werknemer op de werkplek te beschermen tegen besmetting met het coronavirus. De vraag die hier ook gesteld moet worden is of de werkgever harder moet hollen dan de gezondheidsautoriteiten.

Hoewel die autoriteiten inderdaad adviseren dat mensen zich laten vaccineren, hebben zij vaccinatie niet verplicht gesteld. Om verspreiding van het virus tegen te gaan, worden met name de MoHaNa-regels gepromoot.

De huidige situatie geeft aan dat de MoHaNa-regels onvoldoende worden nageleefd en men zich dus zou moeten afvragen of dat alleen effectief genoeg zal zijn.

De werkgever heeft immers geen verplichting om zorg te dragen voor de gezondheid en veiligheid van de werknemer, buiten de werkplek. De verantwoordelijkheid om gezond aan het werk te komen, is voor de werknemer.

Het een en ander kan worden betwist rond de verplichting van de werkgever om op te draaien voor de kosten van een PCR-test.

BEKIJK OOK MEER GFC NIEUWS: Opname op intensive care: te strakke korte spijkerbroek vrouw zorgt voor bloedvergiftiging (video)

2. Inkorting op het loon of inhouding van vakantiedagen van niet gevaccineerde werknemers bij verplichte quarantaine, zonder ziek te zijn geweest

Op grond van Artikel 7 van het uitvoeringsbesluit van de Besmettelijke Ziektewet en artikel 10 van de Volksgezondheidsdienst Wet en de Wet Uitzonderingstoestand Covid-19, artikel 7, worden er maatregelen getroffen die ertoe leiden dat werknemers verplichte quarantaine opgelegd krijgen van de daartoe bevoegde autoriteit.

Hier wordt geen rekening gehouden met de financiële positie van de werkgever om de kosten van het niet werken te dragen, terwijl de bedrijfsvoering door deze regelingen wordt gestagneerd.

Het Surinaams Bedrijfsleven pleit voor inhouding van het loon of verrekening met vakantiedagen van niet gevaccineerde werknemers die in quarantaine moeten vanwege “close contact” met een besmette persoon buiten de werkvloer, en niet ziek zijn geweest. De inhouding op het loon heeft als basis het aantal dagen dat er niet gewerkt kon worden.

Middels deze actie wordt gedoeld op het stimuleren van zorgvuldigheid onder werknemers inzake de MoHaNa- maatregelen, terwijl de werkgever niet buiten zijn/haar schuld om, geconfronteerd wordt met het doorbetalen van lonen onder het mom van goed werkgeverschap en strenge arbeidswetten.

3. Creëren van gescheiden werkplekken

Naast de inachtneming van bedrijfs-protocollen met de MoHaNa regels, zullen werknemers die gevaccineerd zijn en zij die niet-gevaccineerd zijn, op de werkvloer zo veel als mogelijk van elkaar gescheiden worden, als onderdeel van artikel 28 c GW. Dit om beide partijen zo veel als mogelijk te beschermen tegen mogelijke besmettingen.

Hierdoor kunnen airconditioned-, slecht geventileerde ruimten, slechts toegankelijk zijn voor gevaccineerde werknemers.

4. Ontslag bij weigeren vaccinatie

Het ontslaan van werknemers die weigeren zich te vaccineren zal door de rechter worden getoetst aan de Wet Ontslagvergunning.

Artikel 2 Wet Ontslagvergunning stelt: Het is een werkgever verboden de dienstbetrekking van een werknemer te beëindigen zonder ontslagvergunning verleend door of namens de Minister.

De Ontslagcommissie heeft tot taak om de aanvraag van de werkgever tot ontslag van de werknemer te beoordelen, ter zake namens de minister een beslissing te nemen.

De wetgever is bij de Wet Ontslagvergunning uitgegaan van een onwenselijkheid van onevenredigheid tussen de opgegeven reden en de ingrijpende maatregel van ontslag.

In beginsel is de mogelijkheid om de werknemer te ontslaan dus afhankelijk van de ontslagcommissie (lees minister van Arbeid), die onderdeel is van de overheid, welke laatste trekker is van het gebeuren rondom het beleid, het vaccinatieprogramma betreffende.

Conform de huidige wetgeving en het standpunt van de overheid betreffende ontslag vanwege het niet willen vaccineren, zal zo een ontslag niet worden ingewilligd, en dus niet mogelijk zijn.

Kanttekeningen bij het instellen van de Vaccinatieplicht in Suriname

Bij een door de Staat eventueel ingestelde vaccinatieplicht zou mogelijk een inbreuk zijn op het in art. 9 lid 2 GW neergelegde recht op fysieke, psychische en morele integriteit, vanwege de omstandigheden die leiden tot een beroep op art. 36 lid 2 GW waarin de Staat verantwoordelijk is voor het bevorderen van de algemene gezondheidszorg.

Zo heeft de Staat middels de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand gebruik gemaakt van de voorziening getroffen in art. 23 GW, en het noodzakelijk geacht algemene regels vast te stellen die gelden tijdens een burgerlijke uitzonderingstoestand, waardoor een aantal in de Grondwet genoemde rechten bij wet worden onderworpen aan de beperkingen.

Niet in geschil is dat met de invoering van de avondklok diverse grondrechten worden beperkt, die onder meer zijn verankerd in de Grondwet.

Deze grondrechten bieden ruimte voor een inperking daarvan (onder meer) als dat noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid. De Staat is tot deze bescherming verplicht op grond van artikel 23 GW.

Een dergelijke inperking is mogelijk voor zover deze (i) een legitiem doel dient, (ii) bij de wet is voorzien en (iii) noodzakelijk is in een democratische samenleving.

In dat laatste criterium ligt besloten dat de inperking van de grondrechten proportioneel moet zijn en dat er geen andere (lichtere) middelen moeten zijn om het beoogde doel te verwezenlijken.

De Staat heeft hierbij een grote beoordelingsvrijheid (a wide margin of appreciation).

Het instellen van de Vaccinatieplicht door de Staat zou gezien het bovenstaande volgens het bedrijfsleven wel mogelijk zijn, indien een dergelijke inperking op de grondrechten van de burgers te motiveren valt met een deugdelijke feitelijke grondslag.

BEKIJK MEER GFC NIEUWS: KLIK HIER