Buza buigt zich over ACP-EU-partnerschap

Het ministerie van Buitenlandse Zaken (BUZA) organiseerde een seminar over de toekomst van de African Caribean Pacific European Union (ACP-EU) partnerschapsovereenkomst, het Post Cotonou-traject.

De Cotonou-overeenkomst verloopt in maart 2020 en vanaf oktober 2018 zijn de partijen in onderhandeling getreden, om over de opvolger van deze overeenkomst te onderhandelen.

Minister Ildiz Polack-Beighle van Buitenlandse Zaken sprak de participanten toe en gaf aan dat de mogelijke invloed van deze ontwikkelingen op het ACP-EU-partnerschap in een nationaal, alsook ACP-EU-verband goed dient te worden bestudeerd. De ontwikkelingsrelatie met de EU is niet onbekend in Suriname.

Met het eigen financieel mechanisme en het Europees Ontwikkelingsfonds heeft Suriname via het nationaal indicatief programma dat voor bijna 100% bestaat uit ontwikkelingsfinanciering, vanaf de 7e cyclus deelgenomen in deze vorm van samenwerking. Uit dit samenwerkingsverband zijn er relatief grote projecten gefinancierd.

“We denken hierbij aan de voordelen in onze agrarische sector met de herstart van Surland, met de Food and Agricultural Industries, meer bekend als FAI als opvolger op economisch- en handelsgebied”, zegt de minister.

Er kan verder verwezen worden naar de vernieuwing van de Nieuwe Haven. “Mede door deze ontwikkeling is onze haven reeds enkele jaren uitgeroepen tot de beste haven in het Caraïbisch gebied.

Ook de in stand houding van ons cultureel erfgoed, waarbij de kathedraal recent restauraties heeft ondergaan, vult de minister aan.

Suriname heeft heel concreet in de landbouw, handel, toerisme, cultuur, maar ook veiligheid voordeel gehaald uit dit partnerschap.

Over de economische partnerschapsovereenkomst werd benadrukt dat handel met vooral de ACP-landen moet worden gestimuleerd, in het bijzonder met de Caraïbische en Afrikaanse landen. “Er moet ook een denktank komen met als belangrijke participanten, de ambassade van Suriname in Frankrijk, de ACP-EU nationale werkgroep, het parlement, de universiteit en het bedrijfsleven, zodat periodiek aan informatie-uitwisseling kan worden gedaan. De media kan op dit vlak een essentiële bijdrage leveren”, gaf de bewindsvrouw tenslotte aan.

Overige berichten