Verschillende Surinamers uiten regelmatig hun ongenoegen wanneer de olieprijs op de wereldmarkt daalt, maar de benzineprijs bij de pomp onveranderd hoog blijft.
Volgens trendwatcher Patricia Wong is dat gevoel begrijpelijk, maar berust het vaak op een te simpele kijk op een complex systeem.
Zij legt aan GFC Nieuws uit dat de prijs aan de pomp uit meerdere lagen bestaat en niet uitsluitend afhankelijk is van de actuele olieprijs.
Wereldmarkt en wisselkoers als basis
Wong geeft aan dat Suriname ook afhankelijk is van geïmporteerde brandstof. De internationale olieprijs vormt weliswaar de basis, maar die wordt meestal berekend op basis van gemiddelden over een langere periode.
Hierdoor werken dalingen op de wereldmarkt vertraagd door in de lokale prijzen. Daarnaast speelt de wisselkoers een doorslaggevende rol.
“Olie wordt in Amerikaanse dollars betaald. Als de Surinaamse dollar verzwakt, kan een lagere olieprijs alsnog duurder uitpakken aan de pomp,” legt zij uit.
Belastingen en vaste kosten drukken zwaar
Een tweede belangrijke factor zijn belastingen, heffingen en vaste toeslagen die door de overheid worden vastgesteld.
Deze blijven vaak gelijk, ongeacht schommelingen op de wereldmarkt. Volgens Wong is dit de reden dat prijsdalingen nauwelijks voelbaar zijn voor consumenten.
Ook distributiekosten, opslag, transport en marges van oliemaatschappijen en pompstations worden structureel doorberekend.
Begrip voorkomt verkeerde verwachtingen
Ze stelt dat het probleem vooral zit in de verwachtingen binnen de samenleving. “Mensen vergelijken een dalende olieprijs op het nieuws met wat ze aan de pomp betalen, maar dat zijn twee verschillende realiteiten.”
Zolang wisselkoersdruk, vaste lasten en belastingen zwaar blijven wegen, zal benzine in Suriname volgens haar niet snel goedkoper worden.







