Wie in Suriname is opgegroeid, hoeft geen uitleg. Je zegt het automatisch, zonder erbij na te denken.
Een hond komt te dichtbij, blijft rond je erf hangen of loopt een winkel binnen en het woord rolt er vanzelf uit: “Mars!”
Het is zo ingebakken dat bijna niemand zich afvraagt waar het eigenlijk vandaan komt. Toch heeft dit alledaagse bevel een verrassend lange geschiedenis.
Een bevel dat echt Surinaams is geworden
In het Surinaams woordenboek van taalkundige J. van Donselaar staat “mars” letterlijk beschreven als een uitroep en bevel: schiet op, maak dat je wegkomt. Het woord komt ook terug in de Surinaamse literatuur.
Dat laat zien dat “mars” geen moderne straattaal is, maar al decennialang onderdeel vormt van het Surinaams Nederlands.
Wie hier opgroeit, leert het woord al jong. Niet met uitleg, maar door gebruik. Het is kort, scherp en laat weinig ruimte voor discussie. Precies wat je nodig hebt als een hond te dichtbij komt.
Van exercitie naar dagelijks taalgebruik
De herkomst van “mars” wijst sterk naar het Nederlands van vroeger. In militaire context was “mars” een bekend uitvoeringscommando, vaak gebruikt om beweging af te dwingen.
Door de historische invloed van leger en bestuur in Suriname zijn dit soort woorden blijven hangen en verplaatst naar het dagelijks leven.
In Nederland verdween “mars” grotendeels uit het gewone taalgebruik. In Suriname gebeurde het tegenovergestelde.
Het woord werd losgemaakt van het leger en toegepast op mensen, kinderen en uiteindelijk ook dieren.
Dat Surinamers “mars” roepen naar honden zegt dus weinig over strengheid en alles over taalgeschiedenis.
Ida Thornhill is docente aan een lerarenopleiding in Paramaribo en actief als auteur en columniste.
Vanuit haar jarenlange ervaring in het onderwijs en haar brede maatschappelijke betrokkenheid schrijft zij over uiteenlopende thema’s die Suriname raken.







