In Suriname leeft bij een deel van de samenleving nog altijd het idee dat de president rechtstreeks kan ingrijpen bij strafzaken.
Op sociale media en in berichten aan GFC Nieuws wordt regelmatig de vraag gesteld waarom het staatshoofd, president Jennifer Simons, geen opdracht geeft om voormalige politici of andere personen die verdacht worden van fraude met staatsgelden te laten oppakken.
Die gedachte wijst op een hardnekkig misverstand over hoe de rechtsstaat werkt.
De verwarring komt vooral voort uit het onvoldoende onderscheiden van de verschillende machten binnen het staatsbestel.
Wetgevende en uitvoerende macht vaak door elkaar gehaald
De president maakt deel uit van de uitvoerende macht. Dat betekent dat zij verantwoordelijk is voor het dagelijks bestuur van het land en voor het uitvoeren van beleid binnen de kaders van de wet.
De president maakt echter geen wetten en kan ook niet zelfstandig bepalen wie wordt vervolgd of gearresteerd. Dat zijn geen politieke besluiten, maar juridische processen die aan strikte regels zijn gebonden.
Wanneer burgers vermoeden dat er sprake is van corruptie of fraude, is het begrijpelijk dat zij gerechtigheid verwachten. Toch kan die gerechtigheid niet worden afgedwongen door politieke druk op het staatshoofd.
Rol van het Openbaar Ministerie
Het is het Openbaar Ministerie dat belast is met strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Het OM beoordeelt of er voldoende bewijs is om een zaak te starten en werkt daarbij samen met opsporingsdiensten.
De rechter beslist vervolgens onafhankelijk over schuld of onschuld. Juist deze scheiding is essentieel om willekeur en politieke afrekeningen te voorkomen.
Dat een president zich niet mengt in strafzaken is daarom geen teken van onwil, maar een fundament van de rechtsstaat.
In een democratisch land hoort niemand, ook het staatshoofd niet, boven de wet te staan of de wet naar eigen inzicht toe te passen.







