Een krachtige zin uit het Surinaamse volkslied, “God zij met ons Suriname”, vormt een hoeksteen van de nationale identiteit: “Al wat goed is te betrachten dat geeft aan ons land waardij.”
Vertaald als “alles wat goed is om naar te streven geeft waarde aan ons land”, vat deze zin de ambitieuze boodschap van de natie samen: het nastreven van rechtvaardigheid voor haar ontwikkeling en welzijn.
Volgens Kenneth Niekoop staat dit nobele ideaal echter steeds meer op gespannen voet met de dagelijkse realiteit.
De columnist uit zijn diepe bezorgdheid over de door hem waargenomen maatschappelijke achteruitgang en betreurt dat Surinamers, ondanks de oproep in het volkslied, zich vaak schuldig maken aan gedrag dat eerder fragmenteert dan verenigt.
“We vervloeken elkaar de hele dag, maken onnodig vijanden door middel van drogredenen en worstelen met een onwil om samen te werken voor de eer en glorie van de toekomst”, stelt hij in gesprek met GFC Nieuws Lifestyle, waarmee hij een schril contrast benadrukt tussen de geest van het volkslied en het heersende maatschappelijke klimaat.
Zijn kritiek strekt zich met name uit tot het politieke discours dat hij observeert, leest en zelfs bijdraagt.
Niekoop wijst op de buitensporige “vleierij” (gedweep) die hij aanschouwt, gericht op zowel de vorige als de huidige regering die officieel is aangetreden.
Deze vurige, vaak onkritische bewondering, zo stelt hij, doet afbreuk aan een constructieve dialoog en bevordert verdeeldheid.
Een bijzonder opvallende observatie van Niekoop is wat hij de collectieve voorliefde van het land voor “Volks Fjo Fjo” noemt – een lokale uitdrukking die verwijst naar een voorliefde voor gratis publiekelijk drama, roddels of spektakel, vaak ten koste van oprechte betrokkenheid of tastbare bijdragen.
Hij contrasteert dit met de bereidheid om te betalen voor diensten, wat suggereert dat er een bredere culturele voorkeur is voor ‘gratis shows’ boven investeren in collectieve vooruitgang.
Zijn woorden dienen als een scherpe herinnering aan de kloof tussen de waarden die verankerd zijn in ‘s lands heiligste lied en de praktische realiteit van het dagelijks leven en politieke interactie.
Hij daagt de Surinaamse samenleving uit om na te denken over de vraag of haar daden daadwerkelijk de oproep van het volkslied tot eenheid en het nastreven van het goede belichamen, of dat ze het risico loopt te bezwijken onder interne verdeeldheid en een kortzichtige focus die juist de ‘waardij’ (waarde) ondermijnt die ze voor haar land nastreeft.
Zijn boodschap is een krachtig oproep voor een terugkeer naar de fundamentele principes van samenwerking en wederzijds respect voor de toekomst van Suriname.